De schrijver

Inhoudsopgave

De eerste jaren

Op school

Onrecht

Wado Karate en boeddhisme

De eerste contacten met Sri Lanka

De missie

De eerste jaren

Peter van Loosbroek is geboren te Rosmalen (Nederland) op 26 januari 1958. Hij komt uit een doorsnee Brabants arbeidersgezin waarvan beide ouders gewend waren om keihard te werken. Toen Peter 1 jaar was, verhuisde het gezin naar 'de Karreput', een bosrijk gebied tussen Rosmalen en Nuland. In dit gebied bracht hij ruim 17 jaar van zijn jonge leven mediterend door. Bijna elke dag nadat hij thuis kwam van school, zette hij snel zijn fietsje weg en zei tegen z'n moeder: 'Mam, ik ben naar de bossen', waarop ze haar goedkeuring gaf door 'Jo' door het keukenraam te roepen.

Soms ging Petertje met z'n vrienden erop uit, maar meestal ging hij alleen. Hij genoot intens van de natuur en van de rust. In de bossen dacht hij diep na over het leven. Hij beschouwde het leven als iets zeer waardevols, maar wist nog niet precies in welke zin. Daarom dacht hij ook heel vaak na over de dood; 'Dit waardevolle leven zal eens door de komst van de dood weggerukt worden, en ook ik kan daar niet aan ontkomen. Wat is dan de zin van het leven? Er moet toch iets zijn dat het leven waardevol maakt, een taak of zo iets.'

Doordat hij beseft dat het leven in principe iets waardevols is, vindt hij het in het begin jammer dat dat leven niet altijd doorgaat. Maar de natuur houdt niets verborgen: hij ziet de lijken van vogels, van konijnen en van andere dieren. Soms constateerde hij een plek waar een houdduif door een buizerd gegrepen en opgepeuzeld was. Hij zag hoe mieren zich met z'n alle op een hulpeloze prooi stortten en hoe deze prooi een langzame en verschrikkelijke dood stierf. Wat een ellende is dit allemaal!

Toen hij ongeveer 8 jaar was, doet er zich een gebeurtenis voor die hem naar een nog hogere staat van bewustzijn doet voeren. De jonge Peter staat te plassen en denkt: 'Als ik deze stroom wil tegenhouden dan doe ik mezelf pijn en vraag ik om problemen.' In de bossen overdenkt hij deze eenvoudige ervaring die hem uiteindelijk tot een diep inzicht zal brengen. 'De plasstroom beweegt en verandert elk moment. Geen twee momenten is de stroom hetzelfde.' Wanneer hij zichzelf afvraagt of dat dat met alle dingen zo is, komt hij al snel tot de conclusie dat hiervan niets is uitgezonderd. Ook mensen niet; ze worden geboren en ze gaan dood.

En hij denkt verder na: 'Hoewel het toch een eenvoudige zaak is dat alles wat geboren wordt ook weer dood moet gaan, hebben de meeste mensen daar verschrikkelijk veel moeite mee. Nu weet ik wat daar de oorzaak van is: ze begrijpen de ware aard van dingen niet. Het is dit niet begrijpen, deze onwetendheid, dat zoveel leed bij hen veroorzaakt.' In de natuur leert hij van een grasspriet dat als zijn geest buigzaam is, hij niet zal breken; van een vallend blad leert hij dat hij beter op de stroom van het dynamische leven mee kan gaan.

Op school

Op de christelijke school hoort hij een priester spreken over een god die alles geschapen heeft en dat dingen gebeuren zoals hun god dat wil. Zijn overdenkingen in de bossen herinneren hem eraan hoe ellendig het bestaan kan zijn en daarom voelt hij ook geen sympathie voor zo'n schepper. Het moet een god van ellende zijn. Bovendien heeft hij duidelijk ingezien dat alle dingen stromen en vergankelijk zijn; een altijd en eeuwig blijvende god bestaat voor hem niet. Als hij merkt dat deze mensen hun geluk laten afhangen van hun god, en dat ze hem smeken om dit of dat te laten gebeuren, walgt hij van het feit dat zij daarmee hun eigen verantwoordelijkheden naast zich neerleggen. Hij beseft dat zij de gevangenen zijn van hun eigen onwetendheid. Hij voelt zich heel vrij en gelukkig dat hij in wijsheid niet dezelfde sfeer deelt als de mensen in zijn klas. En toch had de kleine Peter nog nooit van het boeddhisme gehoord. Dat hoeft ook niet, want de boeddhistische geschriften zeggen dat de dingen zoals zij werkelijk zijn, door de wijzen in hun eigen hart herkend worden.

Onrecht

Peter was altijd omringt door vele vrienden. Je kunt wel zeggen dat iedereen op de school zijn vriend was, op één na. Die persoon tuigde nogal eens een keer een jongen af die niet voor zichzelf opkwam en dus de pispaal van de school was. Als er dan 'geknokt' werd, kwamen er veel kinderen op af om van de getoonde ellende te genieten. Peter kwam ook toegesneld, maar met een ander doel: om op te komen voor de zwakkeren. Hij was de enige die hielp, maar ook degene die door de leerkrachten als 'de vechtersbaas' werd gezien.

Later, toen hij de Leer van de Boeddha ging bestuderen, denkt hij terug aan die tijd. Pas dan begrijpt hij echt goed wat er aan de hand was: de ware vechtersbaas was in feite een bang iemand met weinig eigenwaarde. Hij wilde zich verheffen door anderen te vernederen. Kwelzucht was overduidelijk in zijn geest aanwezig en mededogen ontbrak. De kinderen die zich om de knokpartij heen verzamelden, waren alleen maar uit op sensatie. Doordat zij nalatig waren de arme medescholier te helpen, getuigt dat hun kwelzucht, hun interesse in het leed van anderen, in sterkere mate aanwezig was dan mededogen en liefdevolle vriendelijkheid. Dit duidt erop dat de rechtvaardigheid van de geest van dergelijke mensen nog lang niet ver genoeg ontwikkeld was. Met de kinderen werden geen gesprekken gevoerd over hoe slecht het is om het leuk te vinden wanneer iemand voortdurend gepest wordt en slaag krijgt. Er werd niets aan gedaan, maar Peter, wiens rechtvaardigheid wél ontwikkeld was, werd als boeman afgeschilderd.

Wado Karate en boeddhisme

Toen hij twaalf jaar was begon hij met de beoefening van Wado Karate. Wado betekent 'De weg van de vrede'. Je 'ik' overwinnen en innerlijke vrede bereiken. In 1984 startte hij officieel een eigen sportschool die al snel (1992 en 1993) uitgroeide tot de grootste karateschool van Nederland.

Vanwege zijn aard alles tot in de details te onderzoeken, wilde hij meer over het karate weten. Het was hem bekend dat er verbanden zijn met het Zen boeddhisme en hij onderzocht deze tak. De basis van het Zen boeddhisme maakt een diepe indruk op hem, namelijk het ontstaan en het ophouden van lijden. Hij herkent essentiële zaken waar hij vroeger in de bossen zo vaak over nadacht. Toch daagden hem ook aspecten van het Zen boeddhisme voor de geest waar hij vraagtekens bij plaatste zoals deze: 'Hoe klinkt het geluid van één klappende hand?' Je maakt geen einde aan lijden om na te denken hoe het geluid van één klappende hand klinkt. Mensen denken na over dingen waar ze niet over na moeten denken en ze denken niet na over dingen waar ze wel over na moeten denken. Het kon er bij hem niet in dat een Boeddha een dergelijke methode onderwezen zou hebben en hij besloot andere boeddhistische stromen te onderzoeken.

Vervolgens stuit hij op het Tibetaanse boeddhisme (Mahayana) maar ook daar vindt hij niet wat bij hem past. Vooral de riten en ceremonies staan hem erg tegen. Flauwekul. Peter komt uit een arbeidersgezin en weet dus van aanpakken, hij is een man van de praktijk, niet van riten en ceremonies. Al snel verlaat hij de Mahayana stroom en gaat verder op zoek naar de bron van het ware boeddhisme.

Uiteindelijk zet het boek 'De Ongedwongen Weg' van de schrijver Dhiravamsa, hem op het perfecte spoor naar het Theravada boeddhisme. Alles wat hij leest wordt door hem direct herkend. Het hele boek verwijst impliciet ook regelrecht naar diverse aspecten binnen het Wado Karate. Geen geheimzinnig gezweef en duidelijke taal spreken letterlijk 'boekdelen'. Het kon niet missen dat Dhiravamsa een leerling was van een echte Boeddha.

De eerste contacten met Sri Lanka

In 1992 maakt hij zijn eerste tocht naar India. Daar ontmoet hij de Sri Lankaanse monnik Ven. Weliwitiye Medhananda Thera. Deze nodigt hem uit om naar Sri Lanka te komen en om een aantal weken in het klooster door te brengen. Zo gebeurde het dat hij in 1994 samen met een paar vrienden naar Sri Lanka vertrok. Er werden fijne en goede contacten gelegd. Het allerbelangrijkst was het feit dat er honderden boeken op de terugreis naar Nederland werden meegenomen. De poort om de ware Dhamma tot in detail te bestuderen stond open!

Al spoedig bleek dat de Boeddha zich inderdaad nooit heeft bezighouden met hoe het geluid van één klappende hand klink en zeker niet met riten en ceremonies. Uit de oorspronkelijke teksten bleek al snel dat de Boeddha heeft onderwezen dat het hechten aan riten en ceremonies, wezens juist aan het rad van geboorte en dood, dus aan het lijden bindt!

De missie

Door zijn overdenkingen en ervaringen, vroeg hij zich in zijn jonge leven af wat de zin van het leven was. Naarmate zijn geest zich ontwikkelde, werd het antwoord hem steeds duidelijker: zoveel mogelijk service aan de wereld verlenen om wezens de weg te wijzen naar de absolute bevrijding van het lijden. Dat is de zin van het leven. Daarom is Peter van Loosbroek dan ook een man met dit ene doel voor ogen. Uit mededogen voor de wereld.

Omdat hij met grote vastberadenheid de Dhamma overdraagt aan de wereld, is hij door een Sri Lankaanse monnik naar de meest geliefde discipel van de Boeddha genoemd: Ananda.

RegID: glb002
Bijgewerkt op: 6 juni 2006
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Geen