Aṅguttara Nikāya
65. De toespraak tot de Kalama's
De Kalama's van Kesaputta gaan naar de Boeddha
Aldus heb ik gehoord. Eens ging de Gezegende, terwijl hij met een groot gevolg van monniken in het land van Kosala rondtrok, een stad binnen van het Kalama volk, genaamd Kesaputta. De Kalama's, inwoners van Kesaputta, hoorden: “De Eerbiedwaardige Gotama, de monnik, de zoon van de Sakya's, is, terwijl hij in het land van Kosala rondtrekt, Kesaputta binnengegaan. De goede reputatie van de Eerwaarde Gotama is op deze wijze verspreid: ‘Inderdaad, de Gezegende is zo volmaakt, volledig verlicht, begiftigd met kennis en oefening, verheven, de kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die beteugeld dienen te worden, de Leraar van goddelijke en menselijke wezens, verlicht en gezegend. Hij maakt deze wereld met haar wezens, haar mara's en brahma's, en de groep van wezens, met haar monniken en brahmanen, en haar goddelijke en menselijke wezens bekend, datgene wat hij zélf door rechtstreekse kennis helder begrepen heeft. Hij zet de Dhamma uiteen die goed in het begin is, goed in het midden en goed aan het einde, betekenisvol en letterlijk, en compleet in alles; en hij verkondigt het heilige leven dat volmaakt zuiver is. Zulke volmaakten te zien is inderdaad goed!’”
Toen gingen de Kalama's, die inwoners van Kesaputta waren, naar de plaats waar de Boeddha was. Toen zij daar aankwamen betuigden sommigen van hen hem respect en gingen naast hem op de grond zitten; sommigen wisselden begroetingen met hem uit en nadat het hartelijke gedenkwaardige gesprek beëindigd was, namen ook zij plaats aan zijn zijde; sommigen begroetten hem door hun handpalmen tegen elkaar omhoog te brengen en gingen op de grond aan zijn zijde zitten; sommigen maakten hun namen bekend en hun familie, en namen plaats aan zijn zijde; sommigen zaten zwijgend aan zijn zijde.
De Kalama's, die inwoners van Kesaputta waren en aan zijn zijde zaten, zeiden tegen de Gezegende: “Er zijn enkele monniken en brahmanen, Eerwaarde Heer, die Kesaputta bezoeken. Zij verkondigen en verklaren alleen hun eigen leringen; de leringen van anderen verachten ze, beschimpen ze, en ze doen er afbreuk aan. Sommige andere monniken en brahmanen, Eerwaarde Heer, komen ook naar Kesaputta. Ook zij verkondigen en verklaren alleen hun eigen leringen; de leringen van anderen verachten ze, beschimpen ze, en ze doen er afbreuk aan. Eerwaarde Heer, er is twijfel, er is onzekerheid in ons omtrent hen. Wie van deze eerbiedwaardige monniken en brahmanen spraken de waarheid, en wie spraken de waarheid niet?”
Het criterium voor verwerping
“Het is terecht, Kalama's, dat jullie twijfelen, dat jullie onzeker zijn; onzekerheid is in jullie ontstaan over dat wat twijfelachtig is. Kom, Kalama's. Vertrouw niet op datgene wat verworven is door het herhaaldelijk te horen; noch op traditie; noch op geruchten; noch op datgene dat in de geschriften staat; noch op vermoedens; noch op een onbewezen aanname; noch op een goed klinkende redenering; noch op een vooroordeel ten opzichte van een weloverwogen denkbeeld; noch op andermans schijnbare bekwaamheid; noch op de overweging: ‘De monnik is onze leraar.’ Kalama's, als jullie voor jezelf weten: ‘Deze dingen zijn slecht; deze dingen zijn afkeurenswaardig; deze dingen worden bekritiseerd door de wijzen; eenmaal opgevat en nageleefd, leiden deze dingen tot nadeel en ziekte’, zie daar dan van af.”
Hebzucht, haat, en begoocheling
- “Wat denken jullie, Kalama's? Als hebzucht (lobha) in een mens verschijnt, strekt dat dan tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?”—“Tot zijn nadeel, Eerwaarde Heer.”—“Kalama's, afgebogen tot hebzucht, overstelpt en mentaal overwonnen door hebzucht, doodt deze mens, steelt hij, pleegt hij overspel, en vertelt hij leugens; hij zet ook een ander aan om hetzelfde te doen. Zal hem dat langdurig tot nadeel en ziekte zijn?”—“Ja, Eerwaarde Heer.”
- “Wat denken jullie, Kalama's? Als haat (dosa) in een mens verschijnt, strekt dat dan tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?”—“Tot zijn nadeel, Eerwaarde Heer.”—“Kalama's, afgebogen tot haat, overstelpt en mentaal overwonnen door haat, doodt deze mens, steelt hij, pleegt hij overspel, en vertelt hij leugens; hij zet ook een ander aan om hetzelfde te doen. Zal hem dat langdurig tot nadeel en ziekte zijn?”—“Ja, Eerwaarde Heer.”
- “Wat denken jullie, Kalama's? Als begoocheling (moha) in een mens verschijnt, strekt dat dan tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?”—“Tot zijn nadeel, Eerwaarde Heer.”—“Kalama's, afgebogen tot begoocheling, overstelpt en mentaal overwonnen door begoocheling, doodt deze mens, steelt hij, pleegt hij overspel, en vertelt hij leugens; hij zet ook een ander aan om hetzelfde te doen. Zal hem dat langdurig tot nadeel en ziekte zijn?”—“Ja, Eerwaarde Heer.”
“Wat denken jullie, Kalama's? Zijn deze dingen goed of slecht?”—“Slecht, Eerwaarde Heer.”—“Afkeurenswaardig of niet afkeurenswaardig?”—“Afkeurenswaardig, Eerwaarde Heer.”—“Gelaakt of geprezen door de wijzen?”—“Gelaakt, Eerwaarde Heer.”—“Eenmaal opgevat en nageleefd, leiden deze dingen dan tot nadeel en ziekte, of niet? Of wat is jullie indruk?”—“Eenmaal opgevat en nageleefd, leiden deze dingen tot nadeel en ziekte. Dat is onze indruk.”
“Daarom zeiden wij, Kalama's, wat aldus is gezegd: ‘Kom, Kalama's. Vertrouw niet op datgene dat verworven is door het herhaaldelijk te horen; noch op traditie; noch op geruchten; noch op datgene dat in de geschriften staat; noch op vermoedens; noch op een onbewezen aanname; noch op een goed klinkende redenering; noch op een vooroordeel ten opzichte van een weloverwogen denkbeeld; noch op andermans schijnbare bekwaamheid; noch op de overweging: ‘De monnik is onze leraar’. Kalama's, als jullie voor jezelf weten: ‘Deze dingen zijn slecht; deze dingen zijn afkeurenswaardig; deze dingen worden gelaakt door de wijzen; eenmaal opgevat en nageleefd, leiden deze dingen tot nadeel en ziekte’, zie daar dan van af.”
Het criterium voor acceptatie
“Kom, Kalama's. Vertrouw niet op datgene dat verworven is door het herhaaldelijk te horen; noch op traditie; noch op geruchten; noch op datgene dat in de geschriften staat; noch op vermoedens; noch op een onbewezen aanname; noch op een goed klinkende redenering; noch op een vooroordeel ten opzichte van een weloverwogen denkbeeld; noch op andermans schijnbare bekwaamheid; noch op de overweging: ‘De monnik is onze leraar’. Kalama's, als jullie voor jezelf weten: ‘Deze dingen zijn goed; deze dingen zijn niet afkeurenswaardig; deze dingen worden niet gelaakt door de wijzen; eenmaal opgevat en nageleefd, leiden deze dingen tot voordeel en geluk’, pak ze dan op en houd ze in stand.”
De afwezigheid van hebzucht, haat en begoocheling
- “Wat denken jullie, Kalama's? Als hebzucht (lobha) niet in een mens verschijnt, strekt dat dan tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?”—“Tot zijn voordeel, Eerwaarde Heer.”—“Kalama's, niet afgebogen tot hebzucht, niet overstelpt en niet mentaal overwonnen door hebzucht, doodt deze mens niet, steelt hij niet, pleegt hij geen overspel, en vertelt hij geen leugens; hij zet ook een ander aan om hetzelfde te doen. Zal hem dat langdurig tot voordeel en geluk zijn?”—“Ja, Eerwaarde Heer.”
- “Wat denken jullie, Kalama's? Als haat (dosa) niet in een mens verschijnt, strekt dat dan tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?”—“Tot zijn voordeel, Eerwaarde Heer.”—“Kalama's, niet afgebogen tot haat, niet overstelpt en niet mentaal overwonnen door haat, doodt deze mens niet, steelt hij niet, pleegt hij geen overspel, en vertelt hij geen leugens; hij zet ook een ander aan om hetzelfde te doen. Zal hem dat langdurig tot voordeel en geluk zijn?”—“Ja, Eerwaarde Heer.”
- “Wat denken jullie, Kalama's? Als begoocheling (moha) niet in een mens verschijnt, strekt dat dan tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?”—“Tot zijn voordeel, Eerwaarde Heer.”—“Kalama's, niet afgebogen tot begoocheling, niet overstelpt en niet mentaal overwonnen door begoocheling, doodt deze mens niet, steelt hij niet, pleegt hij geen overspel, en vertelt hij geen leugens; hij zet ook een ander aan om hetzelfde te doen. Zal hem dat langdurig tot voordeel en geluk zijn?”—“Ja, Eerwaarde Heer.”
“Wat denken jullie, Kalama's? Zijn deze dingen goed of slecht?”—“Goed, Eerwaarde Heer.”—“Afkeurenswaardig of niet afkeurenswaardig?”—“Niet afkeurenswaardig, Eerwaarde Heer.”—“Gelaakt of geprezen door de wijzen?”—“Geprezen, Eerwaarde Heer.”—“Eenmaal opgevat en nageleefd, leiden deze dingen dan tot voordeel en geluk, of niet? Of wat is jullie indruk?”—“Eenmaal opgevat en nageleefd, leiden deze dingen tot voordeel en geluk. Dat is onze indruk.”
“Daarom zeiden wij, Kalama's, wat aldus si gezegd: ‘Kom, Kalama's. Vertrouw niet op datgene dat verworven is door het herhaaldelijk te horen; noch op traditie; noch op geruchten; noch op datgene dat in de geschriften staat; noch op vermoedens; noch op een onbewezen aanname; noch op een goed klinkende redenering; noch op een vooroordeel ten opzichte van een weloverwogen denkbeeld; noch op andermans schijnbare bekwaamheid; noch op de overweging: ‘De monnik is onze leraar’. Kalama's, als jullie voor jezelf weten: ‘Deze dingen zijn goed; deze dingen zijn niet afkeurenswaardig; deze dingen worden niet bekritiseerd door de wijzen; eenmaal opgevat en nageleefd, leiden deze dingen tot voordeel en geluk’, neem ze dan op en houd ze in stand.”
De vier verheven verblijven
- “De discipel van de Edelen, Kalama's, die op deze manier verstoken is van hebzucht, verstoken is van haat, zonder begoocheling is, helder van begrip en waakzaam is, leeft, na één windstreek doordrongen te hebben met gedachten van liefdevolle vriendelijkheid (metta); zo ook de tweede; zo ook de derde; zo ook de vierde; op die wijze naar boven, naar beneden, en overdwars; en zo—na alle levende wezens, overal, de hele wereld, omdat zij erin bestaan, ermee te hebben doordrongen—verblijft hij met de grote, verheven, onbegrensde gedachte van liefdevolle vriendelijkheid die vrij is van haat of boosaardigheid.”
- “Hij leeft, na één windstreek doordrongen te hebben met gedachten van mededogen (karuna); zo ook de tweede; zo ook de derde; zo ook de vierde; op die wijze naar boven, naar beneden, en overdwars; en zo—na alle levende wezens, overal, de hele wereld, omdat zij erin bestaan, ermee te hebben doordrongen—verblijft hij met de grote, verheven, onbegrensde gedachte van mededogen die vrij is van haat of boosaardigheid.”
- “Hij leeft, na één windstreek doordrongen te hebben met gedachten van sympathische vreugde (mudita); zo ook de tweede; zo ook de derde; zo ook de vierde; op die wijze naar boven, naar beneden, en overdwars; en zo—na alle levende wezens, overal, de hele wereld, omdat zij erin bestaan, ermee te hebben doordrongen—verblijft hij met de grote, verheven, onbegrensde gedachte van sympathische vreugde die vrij is van haat of boosaardigheid.”
- “Hij leeft, na één windstreek doordrongen te hebben met gedachten van gelijkmoedigheid (upekkha); zo ook de tweede; zo ook de derde; zo ook de vierde; op die wijze naar boven, naar beneden, en overdwars; en zo—na alle levende wezens, overal, de hele wereld, omdat zij erin bestaan, ermee te hebben doordrongen—verblijft hij met de grote, verheven, onbegrensde gedachte van gelijkmoedigheid die vrij is van haat of boosaardigheid.”
De vier overtuigingen
“De discipel van de Edelen, Kalama's, die zulk een geest heeft die vrij van haat is, zulk een geest heeft die vrij van boosaardigheid is, zulk een onbezoedelde geest, en zulk een gezuiverde geest—is iemand die, hier en nu, vier overtuigingen heeft.”
- “‘Veronderstel dat er een hiernamaals is, en dat er een vrucht is, een resultaat van goede of verkeerde daden. Dan is het mogelijk dat ik, bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, in een hemelse wereld zal verschijnen die vervuld is van een zegenrijke staat.’ Dit is het eerste waarvan hij overtuigd raakt.”
- “‘Veronderstel dat er geen hiernamaals is, en dat er geen vrucht is, geen resultaat van goede of verkeerde daden is, dan verblijf ik in dit huidige leven zonder zorgen—vrij van haat, vrij van boosaardigheid, veilig, gezond en gelukkig.’ Dit is het tweede waarvan hij overtuigd raakt.”
- “‘Veronderstel dat de kwade (gevolgen) een boosdoener overkomen. Ik denk er echter niet over om iemand kwaad te doen. Hoe kunnen slechte (gevolgen) mij, die geen verkeerde daad doet, dan treffen?’ Dit is het derde waarvan hij overtuigd raakt.”
- “‘Veronderstel dat kwade (gevolgen) een boosdoener niet overkomen. Dan zie ik mezelf in elk geval gezuiverd.’ Dit is het vierde waarvan hij overtuigd raakt.”
“De discipel van de Edelen, Kalama's, die zulk een geest heeft die vrij van haat is, zulk een geest heeft die vrij van boosaardigheid is, zulk een onbezoedelde geest, en zulk een gezuiverde geest—is iemand die, hier en nu, vier overtuigingen heeft.”
De Kalama's:
“Zo is het, Gezegende! Zo is het, Verhevene! De discipel van de Edelen, Eerwaarde Heer, die zulk een geest heeft die vrij van haat is, zulk een geest heeft die vrij van boosaardigheid is, zulk een onbezoedelde geest, en zulk een gezuiverde geest—is iemand die, hier en nu, vier overtuigingen heeft.”
- “‘Veronderstel dat er een hiernamaals is, en dat er een vrucht is, een resultaat van goede of slechte daden. Dan is het mogelijk dat ik, bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, in een hemelse wereld zal verschijnen die vervuld is van een zegenrijke staat.’ Dit is het eerste waarvan hij overtuigd raakt.”
- “‘Veronderstel dat er geen hiernamaals is, en dat er geen vrucht is, geen resultaat van goede of verkeerde daden is, dan verblijf ik in dit huidige leven zonder zorgen—vrij van haat, vrij van boosaardigheid, veilig, gezond en gelukkig.’ Dit is het tweede waarvan hij overtuigd raakt.”
- “‘Veronderstel dat de kwade (gevolgen) een boosdoener overkomen. Ik denk er echter niet over om iemand kwaad te doen. Hoe kunnen slechte (gevolgen) mij, die geen verkeerde daad doet, dan treffen?’ Dit is het derde waarvan hij overtuigd raakt.”
- “‘Veronderstel dat kwade (gevolgen) een boosdoener niet overkomen. Dan zie ik mezelf in elk geval gezuiverd.’ Dit is het vierde waarvan hij overtuigd raakt.”
“De discipel van de Edelen, Eerwaarde Heer, die zulk een geest heeft die vrij van haat is, zulk een geest heeft die vrij van boosaardigheid is, zulk een onbezoedelde geest, en zulk een gezuiverde geest—is iemand bij wie, hier en nu, deze vier overtuigingen worden aangetroffen.”
“Wonderbaarlijk, Eerwaarde Heer! Wonderbaarlijk, Eerwaarde Heer! Het is alsof een persoon rechtop zet wat op z'n kop staat, Eerwaarde Heer, of het verborgene onthult, of de weg wijst aan iemand die verdwaald is of een lamp draagt in de duisternis, denkende: ‘Zij die ogen hebben zullen zichtbare dingen zien’. Zo is de Dhamma op vele manieren door de Gezegende uitgelegd. Eerwaarde Heer, wij gaan naar de Gezegende voor ons welzijn, wij gaan naar de Dhamma voor ons welzijn, en wij gaan naar de Sangha voor ons welzijn. Eerwaarde Heer, laat de Gezegende ons vanaf vandaag als lekenvolgelingen beschouwen die voor het leven hun toevlucht hebben genomen.”