Aṅguttara Nikāya

136. De vaststaande feiten van de wet

Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Gezegende nabij Savatthi in het Jetavana, het park van Anathapindika. Daar wendde hij zich tot de monniken en hij zei: “Monniken.”—“Ja, Heer”, antwoordden zij hem. En de Gezegende sprak toen als volgt:

“Of dat er nu wel Perfecten in de wereld verschijnen, of dat er géén Perfecten in de wereld verschijnen, het blijft steeds een onwrikbare toestand, een onveranderlijk feit en vaste wet: dat alle dingen vergankelijk zijn (anicca), dat alle dingen onderhevig zijn aan lijden (dukkha), dat alle fenomenen zonder een zelf zijn (anatta).”

“Een Tathagata is volledig tot dit feit ontwaakt en doorziet dit. Nadat hij daar volledig tot ontwaakt is en dat doorziet, kondigt hij dit aan en onderwijst dit, maakt dit bekend, presenteert dit, onthult dit, verklaart dit en maakt duidelijk, dat: alle samengestelde dingen vergankelijk zijn, dat alle samengestelde dingen tot lijden strekken en dat alle dingen zonder een zelf zijn.”

Dat is wat de Gezegende zei. De monniken waren verheugd en verblijdden zich in de woorden van de Gezegende.